De geschiedenis van chocolade
Chocolade liefhebbers zullen Christoffel Columbus eeuwig dankbaar blijven, want dankzij hem hebben we deze delicatesse ontdekt in het Westen.
Eén van de volkeren die Columbus tijdens zijn veroveringstochten in de Nieuwe Wereld ontmoette, waren de Azteken. Al generaties lang dronken zij een sapje, op basis van gegrilde zaadjes, die ze lieten weken in kruiden. Het goedje smaakte bitter en volgens westerlingen nogal smerig. In het drankje verwerkten de Azteken ook een boon, afkomstig van een vreemde boom, die een beetje op een bananenboom lijkt. In de vruchten van deze boom, de cacaoboom verborgen zich de bewuste bonen.

De mythe van chocolade als afrodisiacum (lustopwekkend middel) ontstond in het Westen in 1624, toen een theoloog in een traktaat (verdrag, pact) de consumptie van chocolade in kloosters veroordeelde, omdat deze drank "de gemoederen en de lusten verhit". De beroemde courtisane Madame du Barry had de gewoonte om haar talrijke smachtende minnaars een kop warme en schuimende chocolade te serveren.
Madame de Pompadour ging zich te buiten aan chocolade om haar "bloed op te warmen", nadat Lodewijk XV in het openbaar had verkondigd dat ze frigide was.
De eerste die de lustopwekkende kwaliteiten van chocolade erkende en er daarna verslingerd aan raakte, was de Azteekse keizer Montezuma.
Chocolade in de vaste vorm zoals wij het tegenwoordig het beste kennen, werd pas ontwikkeld op het einde van de 17e eeuw. In 1870 voegden Zwitserse chocolademakers melk toe waardoor de eerste melkchocolade ontstond. Industrialisering in de 19de en 20ste eeuw zorgde er voor dat chocolade ook toegankelijk was voor de grote massa.





